Nu in Frankrijk

Niet te missen 

Festivals, exposities, concerten of grote evenementen… Op France.fr is, net als overal in Frankrijk, altijd wel iets te beleven.

Wat te doen?

Ontdek
Frankrijk 

Een cultuurreis langs uitzonderlijke plekken of wandelen in de bergen. Een romantisch tripje langs een wijnroute of een boottocht met de kinderen…
Waar gaat de reis naar Frankrijk dit keer heen?

Survival woorden in het Frans

Leer de Franse taal

Handige woorden en zinnen om je in het Frans verstaanbaar te maken.

Bedanken

Alstublieft (beleefdheidsvorm bij een vraagstelling): S'il vous plaît
Alstublieft (beleefdheidsvorm bij het aanreiken van iets): Voilà
Dank u wel: Merci
Geen dank: De rien
Sorry: Pardon
Het maakt niet uit / Het is goed: ça ne fait rien

Groeten

Goedemorgen: Bonjour

Goedemiddag: Bonjour

Hallo: Bonjour

Goedenavond: Bonsoir

Welterusten: Bonen nuit

Tot ziens: Au revoir

Tot later: À bientôt

Tot straks: À tout à l'heure

Hulp vragen

Sorry meneer: Pardon, Monsieur

Mevrouw: Madame

Mejuffrouw: Mademoiselle

Spreekt u Engels?: Parlez-vous anglais?

Ja: Oui

Nee: Non

Het spijt me: Je suis désolé(e)

Ik spreek geen Frans: Je ne parle pas français

Ik snap het niet: Je ne comprends pas

Ik snap het een beetje: Je comprends un peu

Kunt u langzamer spreken alstublieft?: Parlez plus lentement, s'il vous plaît

Kunt u dat herhalen alstublieft?: Répétez s'il vous plaît

Mag ik u iets vragen?: Est-ce que je peux vous demander quelque chose?

Kunt u me helpen alstublieft?: Pourriez-vous m'aider, s'il vous plaît?

OK: D'accord

Natuurlijk: Bien sûr

Waar is/waar zijn...?: Où est/sont...?

Hartstikke bedankt: Merci beaucoup

Vragen stellen

Wie: Qui?

Wat: Quoi?

Waarom: Pourquoi?

Wanneer: Quand?

Waar: Où?

Hoe: Comment?

Hoeveel is het: C'est combien?

Nummers

0: zéro

1: un

2: deux

3: trois

4: quatre

5: cinq

6: six

7: sept

8: huit

9: neuf

10: dix

11: onze

12: douze

13: treize

14: quatorze

15: quinze

16: seize

17: dix-sept

18: dix-huit

10: dix-neuf

20: vingt

21: vingt-et-un

22: vingt-deux

30: trente

40: quarante

50: cinquante

60: soixante

70: soixante-dix

80: quatre--vingt

90: quatre-vingt-dix

100: cent

200: deux cents

1000: mille

Rangtelwoorden

Eerste (m): Premier

Eerste (v): Première

Tweede: Deuxième

Derde: Troisième

Vierde: Quatrième

De tijd

Hoe laat is het: Quelle heure est-il?

Het is drie uur: Il est trois heures

Kwart over drie: Trois heures et quart

Half vier: Trois heures et demie

Kwart voor drie: Trois heures moins quart

Tien voor drie: Trois heures moins dix

Tien over drie: Trois heures dix

Het is 12 uur 's middags: Il est midi

Het is middernacht: Il est minuit

Vijf minuten geleden: Il y a cinq minutes

Over een half uur: Dans une demi-heure

Sinds 7 uur 's avonds: Depuis sept heures du soir

Na 8 uur 's avonds: Après huit heures du soir

Voor negen uur: Avant neuf heures

Wanneer begint het?: À quelle heure est-ce que ça commence?

Hij was op tijd: Il est venu à l'heure

Vroeg: tôt

Laat/vertraging: En retard

Betalen

De rekening alstublieft: L'addition, s'il vous plaît

Hoeveel is het: C'est combien?

Is de bediening inbegrepen: Le service est compris?

Dat is voor u: C'est pour vous

Meer
informatie